Nabestaandenvoorziening na scheiding op de tocht?
Een beroep op dit zogenaamde pensioenverweer is niet van toepassing:
- indien redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen;
- indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de andere echtgenoot.
Dit staat staat in artikel 1:153 van het Burgerlijk Wetboek
Waarom is te verwachten dat mensen in de toekomst vaker een beroep op dit pensioenverweer gaan doen?
Dit komt doordat het nabestaandenpensioen tegenwoordig na echtscheiding in veel gevallen niet veel meer waard is omdat het tegenwoordig toenemend op risico-basis is.
Vroeger zat er in de nabestaandenpensioenen waarde-opbouw. Tegenwoordig is dat dus veelal anders.
Dat betekent bijvoorbeeld, dat als een man wil scheiden, er door die scheiding in veel gevallen voor zijn ex-vrouw geen / nauwelijks nog een aanspraak zal overblijven op een nabestaandenpensioen in het geval dat deze man na de scheiding mocht komen te overlijden.
De vrouw kan dan in de echtscheidingsprocedure aan de rechtbank vragen om de echtscheiding pas uit te spreken als de man een voorziening heeft getroffen voor het geval hij na de scheiding zou komen te overlijden.
Of een dergelijk verzoek van de vrouw wordt toegewezen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kun je bijvoorbeeld denken aan de kans dat de vrouw binnen afzienbare termijn zelf de nodige voorzieningen kan treffen maar ook aan de vraag, aan wie de ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate is te wijten.
Neem contact op met een vFAS advocaat als je partner wil scheiden, maar daardoor een aanspraak op nabestaandenpensioen in gedrang komt.
Wangedrag vrouw kan leiden tot afwijzing partneralimentatie
Tijdens haar huwelijk met de man kreeg de vrouw twee kinderen. In de echtscheidingsprocedure vroeg de vrouw zowel partneralimentatie voor zichzelf als kinderalimentatie voor de tijdens het huwelijk geboren kinderen.
De man kreeg argwaan toen de vrouw, na de geboorte van het eerste kind, heel snel opnieuw zwanger werd.
De man had in een andere procedure die diende bij de Rechtbank ’s-Hertogenbosch via een DNA test 100% bewijs dat de tijdens het huwelijk geboren kinderen niet de biologische kinderen van de man waren. De Rechtbank had op 13 juli 2010 een verzoek van de man tot ontkenning van het door zijn huwelijk ontstane vaderschap toegewezen.
Omdat hierdoor de man juridisch geen ouder meer was van de kinderen, werd het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie afgewezen in de uitspraak van het Hof van 14 december 2010.
Het Hof oordeelde, dat ook het verzoek van de vrouw om partneralimentatie werd afgewezen vanwege - kortgezegd - wangedrag:
“De bevoegdheid van de rechter om met (wan)gedrag rekening te houden bij de vaststelling van partneralimentatie wordt immers uitgedrukt in het woord ‘kan’ in artikel 1:157 lid 1 BW. Uit vaste rechtspraak blijkt dat niet lichtvaardig mag worden aangenomen dat er van een zodanig grievende handeling van de alimentatiegerechtigde jegens de alimentatielichtige sprake is, dat een verzoek om partneralimentatie dient te worden afgewezen.
“Het hof is van oordeel dat in deze zaak de gedragingen van de vrouw dermate frustrerend en grievend voor de man zijn dat onder deze omstandigheden redelijkerwijs niet van de man kan worden verwacht dat hij een bijdrage levert in de kosten van levensonderhoud de vrouw.
"De vrouw heeft erkend dat zij tijdens het huwelijk van partijen seksueel contact heeft gehad met andere mannen, zodat dit vaststaat. (...)
“Het hof overweegt voorts dat is komen vast te staan dat de kinderen die tijdens het huwelijk van partijen zijn geboren, niet van de man zijn. Het hof rekent het de vrouw zwaar aan dat zij de man geruime tijd in de waan heeft gelaten dat hij wel de biologische vader van [zoon] en [dochter] was, en dat de waarheid omtrent het vaderschap enkel aan het licht is gekomen doordat de man argwaan kreeg toen de vrouw snel na de geboorte van het eerste kind weer zwanger raakte, en de man haar vervolgens met zijn vermoeden dat hij wellicht niet de biologische vader van de kinderen was, heeft geconfronteerd.”
“Op grond van het vorenstaande zal het hof het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie dan ook afwijzen.”
Recht op bijstand en mediation: De subsidiemogelijkheden
De subsidieregeling wordt uitgevoerd door de Raad voor Rechtsbijstand. De raad beoordeelt met een inhoudelijke en financiële toets of u hiervoor in aanmerking komt. Wanneer dat het geval is, wordt een zogeheten toevoeging verstrekt.
inhoudelijke en financiële toets
Inhoudelijk komen veel onderwerpen op het gebied van het familierecht voor de subsidieregeling in aanmerking. Denk hierbij aan een echtscheiding, het verbreken van een samenwoning, maar ook een geschil over alimentatie, een zorgregeling voor kinderen of het afwikkelen van een gemeenschap van goederen of huwelijkse voorwaarden. Het moet wel gaan om een geschil dat u zelf niet kunt oplossen en het financieel belang mag niet te klein zijn. Ook voor een mediation kan een toevoeging worden verstrekt. Dat kan zowel voordat een procedure aanhangig is gemaakt als na verwijzing door de rechtbank.
Er vindt een financiële toets plaats. De Raad voor Rechtsbijstand kijkt daarbij zowel naar uw inkomen als naar uw vermogen van 2 jaar vóór de aanvraag, het peiljaar. Bij een aanvraag in 2010 wordt gekeken naar het peiljaar 2008. De raad vraagt deze gegevens, zowel van u als van uw partner, op bij de Belastingdienst. Als u óf te veel inkomen óf te veel vermogen heeft, dan komt u niet in aanmerking voor een toevoeging. Wanneer uw inkomen of vermogen na het peiljaar met tenminste 15% is gedaald en u op grond van uw huidige financiële situatie wel een toevoeging zou krijgen, dan kunt u een verzoek tot peiljaarverlegging doen.
De inkomensnorm
Gekeken wordt naar het belastbaar inkomen. Wanneer uw verzamelinkomen als alleenstaande hoger is dan € 24.400,- per jaar dan komt u niet in aanmerking voor een toevoeging. Hetzelfde geldt als het
verzamelinkomen van gehuwden/geregistreerde partners/eenoudergezinnen hoger is dan € 34.400,- per jaar. Als het inkomen lager is (én u voldoet aan de vermogensnorm), dan wordt aan de hand van de categorie waar u in zit een eigen bijdrage vastgesteld, die varieert van € 50,- tot € 750,-. De eigen bijdrage is eenmalig, geldt voor de gehele behandeling van uw zaak en wordt geïnd door de advocaat/mediator.
De vermogensnorm
Voor het begrip vermogen wordt aangesloten bij hetgeen u in uw belastingaangifte heeft ingevuld in box 3. Bij vermogen moet u denken aan spaargelden, maar ook aan waardepapieren zoals (lijfrente)polissen of aandelen/beleggingen. De overwaarde in een eigen, zelfbewoonde woning valt hier niet onder. Ook hier geldt weer: als u meer vermogen heeft dan het vrij te laten vermogen, zal uw aanvraag worden afgewezen. Het vrij te laten vermogen voor 2010 bedraagt € 20.661,- per volwassene. Er gelden bijtellingen voor minderjarige kinderen en 65-plussers.
Korting op griffierecht
Bij het voeren van een procedure brengt de rechtbank administratiekosten in rekening, het griffierecht. In personen- en familiezaken bedraagt het griffierecht € 208,-, bij een kort geding is dat € 263,-. Wanneer u in aanmerking komt voor een toevoeging, dan krijgt u korting op het griffierecht. Afhankelijk van de hoogte van de eigen bijdrage betaalt u dan slechts 25 of 50 procent van het tarief.
Let op: de resultaatstoets
Als de zaak is afgerond, vindt nog een financiële toets plaats door de raad, waarbij beoordeeld wordt wat de financiële opbrengst is geweest van de zaak. De overwaarde van een woning telt dan wél mee, echter alleen in geval van verkoop of bij uitkoop door de voormalige partner. Aanspraken op alimentatie tellen niet mee. Wanneer blijkt dat de opbrengst meer bedraagt dan 50% van het heffi ngsvrije vermogen, dan wordt de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken. U moet de kosten van de advocaat/mediator dan alsnog helemaal zelf betalen. Het is dus van belang om al bij de start van de zaak een inschatting te maken van de consequenties van de resultaatstoets.
Meer informatie?
Voor uitgebreidere informatie over gesubsidieerde rechtsbijstand en mediation kunt u terecht bij de Raad voor Rechtsbijstand (www.rvr.org) en het Juridisch Loket: www.juridischloket.nl, tel. 0900-8020.
Uw vFASadvocaat of mediator kan de aanvraag voor u verzorgen.
Wat als je ex-partner de alimentatie niet betaalt
Kinder- en partneralimentatie
Sinds 1995 incasseert het LBIO in opdracht van de overheid en op verzoek van de alimentatiegerechtigde de achterstand in kinderalimentatie bij de alimentatieplichtige. Sinds 1 augustus 2009 kan via het LBIO ook de achterstand in partneralimentatie worden geïncasseerd. Waarschijnlijk heeft de komst van de partneralimentatie tot een forse stijging van het aantal zaken bij het LBIO geleid. Voorheen waren er gemiddeld 7500 nieuwe zaken per jaar. Vorig jaar heeft het LBIO er 9900 nieuwe zaken bij gekregen. Het LBIO claimt dat het in meer dan de helft van de zaken binnen een paar weken de betaling van alimentatie weer op gang brengt. Het LBIO heeft daarvoor speciale bevoegdheden gekregen. Er kan bijvoorbeeld informatie worden ingewonnen bij de Belastingdienst en gemeenten. Zonder tussenkomst van een deurwaarder kan het LBIO beslag leggen op inkomen van de alimentatieplichtige, banktegoeden of overige bezittingen.
Buitenlandse alimentatie
Het LBIO kan verder bemiddelen bij de incasso van alimentatie in het buitenland, zolang de alimentatiegerechtigde maar in Nederland woont en de alimentatie moet worden geïncasseerd in een land dat bij één van de alimentatieverdragen is aangesloten. Andersom kan het zijn dat een instantie van een verdragsland het LBIO verzoekt de achterstand te innen bij een alimentatieplichtige die in Nederland woont.
Kosten en voorwaarden
De incassokosten komen voor rekening van de alimentatieplichtige. Het LBIO werkt met zogenaamde opslagkosten. De achterstand wordt met 15 procent verhoogd en het maandbedrag wordt met 15 procent verhoogd. De alimentatieplichtige wordt niet meteen met deze kosten geconfronteerd. Hij of zij krijgt eerst de gelegenheid om binnen drie weken de achterstand te voldoen. Pas wanneer niet tijdig wordt betaald, legt het LBIO een betaalregeling op, al dan niet gevolgd door incassomaatregelen. De alimentatieplichtige moet vervolgens tenminste zes maanden de alimentatie met opslagkosten aan het LBIO betalen, daarna mag weer rechtstreeks aan de alimentatiegerechtigde worden betaald. Gaat hij of zij daarna opnieuw de fout in, dan gelden langere termijnen waarin aan het LBIO moet worden betaald. Het LBIO neemt niet iedere zaak aan. Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan: de alimentatie is door een rechter vastgesteld, een overeenkomst of notariële akte is dus niet voldoende; er is minimaal één maand achterstand; de achterstand bedraagt minimaal € 10,– en is op het moment van het verzoek niet ouder dan zes maanden.
Wanneer uw zaak aan voornoemde voorwaarden voldoet, kunt u via www.lbio.nl het aanvraagformulier voor de incasso downloaden. U dient het LBIO ook de uitspraak van de rechter te sturen bij wie de alimentatie is vastgesteld. Een kopie van de uitspraak is niet voldoende. U moet de zogeheten grosse sturen. Die herkent u aan de uitspraak ‘In naam der Koningin’ die in de aanhef staat. Uw advocaat kan deze grosse verstrekken.
Berlusconi akkoord met onderhoudsbijdrage
De Italiaanse premier Berlusconi moet zijn ex Veronica Lario elke maand 300.000 euro partneralimentatie betalen. Dat staat in hun onlangs via de rechter afgedwongen echtscheidings overeenkomst. Lario had eerst een alimentatie van 3,5 miljoen euro per maand geëist, maar gaat nu akkoord met het lagere bedrag. Berlusconi moet het bedrag dan wel elke maand keurig op tijd overmaken naar haar rekening. Qua financiële armslag moet dat lukken: Berlusconi’s vermogen wordt geschat op 8 miljard euro.
Financiële stukken
vind een advocaat of scheidingsmediator
Scheiden
Trouwen
Kinderen

Dag van de Scheiding 2011



















